Het was een gedenkwaardige dag, de 28e mei van het jaar onzes Heeren 1932. Het doodsvonnis stond voltrokken te worden aan haar, die Nederland veertien eeuwen niets dan goed gedaan had. Neerlands eerste minister hield de lijkrede. Grote, sterke kerels, vissers, stonden er als geslagen bij te kijken. Die wisten de betekenis, in heel haar omvang, van dit alles. En wat er in hen omging op dat ogenblik, was niet te beschrijven. Inmiddels gaf een ingenieur het teken tot het voltrekken van het vonnis. Grijpers met vuile grijze modder gevuld, braakten hun inhoud over de zilverstroom leeg. Kenden deze mensen dan geen medelijden? Het ligt er maar aan van welke zijde je de zaak bekijkt, want terwijl de sirenes en stoomfluiten gilden, en enige honderden, die van het drama getuige waren, juichten, wekte het bij enkele aanwezigen een geheel andere ontroering, en was het alsof dit gedaan werd om het gekerm van de arme vissers te overstemmen. Menig visser zal op dat moment het gevoel gehad hebben, dat hij door de grond ging en plotseling, goed beseffend wat er eigenlijk gebeurde, op een punt gestaan hebben, om in het vissengraf mee te springen en zijn leven met de vissen te beëindigen. Beurt om beurt, tot twaalf maal toe, plonsden de massa’s op het goud van de Zuiderzee neer; toen gaf het slachtoffer de geest en blies de laatste adem uit. En weer gilden sirenes en brulden de stoomfluiten, tot de trommelvliezen op barsten stonden.

[Geciteerd in: Emiel Hakkenes, Polderkoorts – Hoe de Zuiderzee verdween. Amsterdam: Thomas Rap, 2017, pag. 174-175. Titel toegevoegd, interpunctie licht gewijzigd. – EK]