Gert Laske herinnert zich alles alsof het gisteren gebeurde. De wijde polder van de Wieringermeer die zich deze ochtend baadt in de prille voorjaarszon, op de akkers is iedereen aan het werk. Plotseling wordt de stilte verstoord door motorgeluid. Laske zelf is bezig bij de Wieringerwaard-brug als hij zeven blauw geschilderde bussen ziet naderen die vooraf worden gegaan door een luxe personenauto. De stoet houdt halt. Wat later giert de sirene op het gemeenschapshuis, het bekende verzamelteken. Maar dit keer niet om met elkaar de maaltijd te gebruiken. Als iedereen binnen is verschijnen enkele vreemde mannen. Een van hen, in uniform, doet het woord. Schuin achter de geüniformeerde, roerloos, iemand met zwarte jas en een zwarte hoed. De klok op donderdag 20 maart 1941 wijst half elf. Het joodse werkdorp staat oog in oog met Willy Lages en Klaus Barbie.

Door BRAM HOEKSEMA

Gert Laske was ooit beter bekend als „Floh”. De bijnaam krijgt hij van zijn vriendjes op de Prenzlauerberg, de Berlijnse arbeiderswijk waar Laske 66 jaar geleden werd geboren en het ouderlijk huis nog steeds overeind staat. Recht tegenover het Ernst Thalmann-museum nu, want er is wel iets veranderd in de stad.

„Floh” — hij blijft klein van stuk — gaat in de buurt naar school en speelt op straat. Een zorgeloze jeugd waaraan echter een einde komt als sinistere figuren de macht in het land in handen nemen. In 1935 krijgen de scholen in Berlijn het bevel de joodse kinderen naar huis te sturen. De joodse gemeenschap ontfermt zich over de kinderen en laat Laske een opleiding volgen als machinebankwerker. Zijn vader, die als inkoper werkt bij het bedrijf Ohrenstein en Koppel, wordt in 1936 ontslagen en twee jaar later opgepakt om dan naar het concentratiekamp Buchenwald te worden gesleept.

Als deze hier na een half jaar te horen krijgt dat er een kans is vrij te komen op voorwaarde dat hij uit het land vertrekt, grijpen de ouders’dit met beide handen aan. De keuze valt op Sjanghai, met de Dominicaanse Republiek de enige die bereid is joden zonder borgstelling op te nemen.

Gert, hij is dan zeventien, wil niet mee. Hij heeft zich aangesloten bij groepen anti-fascistische jongeren zoals de op de communisten georiënteerde Herbert Baumgroep en de joodse Haschomer die in de stad vlugschriften verspreiden en leuzen kalken. Ze hopen dat het regime uit het zadel wordt gelicht door een politieke ommezwaai. Als dat niet gebeurt en ook Gert geen andere mogelijkheid rest dan uit te wijken, emigreert hij naar Nederland „zodat ik weer snel naar huis kan”.

Laske vindt zich zelf een nuchter mens. „Voor anderen lijkt het vaak alsof ik gevoelloos ben. Het is waar dat ik als kind destijds zonder zichtbare emotie van m’n ouders afscheid nam. Ook is het zo dat ik de andere nogal radicale veranderingen in mijn leven, zoals in Nederland, snel en zonder veel moeite accepteerde. Misschien dat ik er daarom doorheen ben gekomen.”

In Amsterdam wordt Gert Laske begin 1939 opgevangen door de Stichting Joodsche Arbeid die kantoor houdt aan het ’s Gravenhekje. De stichting exploiteert het werkdorpWieringermeer waar vanaf 1934 jonge joodse mannen en vrouwen, afkomstig uit Duitsland, een opleiding krijgen in de land- en

tuinbouw om vervolgens als pionier te worden uitgezonden naar Palestina. Veel opzien baart kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de overtocht van de laatste grote groep „Wieringermeerders” met het aftandse schip de Dora. Omdat de Britse autoriteiten de toegang van emigranten in Palestina weigeren, gaan de jongeren illegaal aan land. Het laatste stuk gebeurt, wadend door de branding.

In het werkdorp in de Wieringermeer zijn ook mogelijkheden voor een ambachtelijke opleiding. De voorkeur van Laske, door een vriend uit Berlijn die hem in de polder is voorgegaan al gauw ontdekt als „Floh”, gaat uit naar de smidse dan wel de timmerwerkplaats. Later kan hij zich gelukkig prijzen dat hij hier niet terecht komt. Van de leerlingen die in Laskes tijd de cursus volgen voor smid of timmerman overleeft geen enkele de oorlog.

De ochtend in maart 1941 breekt aan dat Obersturmführer Lages en zijn luitenant Barbie naar de polder komen om het werkdorp te „ontruimen”. De rapporten na de bezetting maken melding van NSB-boeren die de Duitsers benaderen omdat ze zich het bewerkte land willen toeëigenen.

In het gemeenschapshuis krijgen alle ruim driehonderd bewoners van het werkdorp bevel om zich in carré op te stellen. Zestig van hen worden aangewezen om het bedrijf nog draaiend te houden, de rest moet in de bussen mee naar Amsterdam. Er wordt geselecteerd. Lages kijkt naar Laske en aarzelt. Dan wordt de man die naast de Berlijner staat aangewezen om de bus in te gaan. Hij heeft zn „gewone” kleren aan en is niet zoals Laske gestoken in overall. Wie geen overall draagt is „ein Faulenzer”, een luiaard. „Ganz richtig so”, mompelt de Obersturmführer.

In de hoofdstad worden de jongeren overgedragen aan de Stichting Joodsche Arbeid die hen onderbrengt op adressen van particulieren. Even wordt opgelucht adem gehaald.

Het is kort na de Februaristaking. Verzetsstrijders plegen bomaanslagen. Uit Berlijn wordt het bevel gegeven voor een wraakoefening. Op de Aussenstelle Amsterdam van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD en op het SD-kantoor aan de Heerengracht waar Lages en Barbie zitten is men wat voorzichtig. De eerste grote razzia op joden op het Waterlooplein was aanleiding voor de Februaristaking, men wil zo weinig mogelijk risico nemen.

Lages en Barbie herinneren zich de ontruiming van het werkdorp en de naar Amsterdam meegenomen jongeren. Als de laatste opdracht krijgt deze mensen op te halen, wordt er een fout geconstateerd. Barbie heeft vergeten de adressen te noteren waar de cursisten uit de Wieringermeer zijn ondergebracht — de Untersturmführer verzint een list. Herhaaldelijk was David Cohen, een van de twee voorzitters van de Joodsche Raad, komen vragen of de jonge mannen en vrouwen konden terugkeren naar het werkdorp. Barbie zelf gaat naar Cohen om zijn toestemming te geven. De Duitsers zullen zelf wel voor het transport naar de Wieringermeer zorgen, maar dan moet de SD’er wel een lijst met namen en adressen hebben.

Cohen, vol zelfverwijt in zijn later verschenen Herinneringen, zorgt dat de lijst wordt geleverd. Driehonderd jonge joden worden opgehaald en in de steengroeven van Mauthausen ddood ingestuurd. Onder hen een groot aantal bewoners van het werkdorp en kinderen van mensen bij wize in de hoofdstad zijn ondergebracht. Eén keer krijgen ze in de polder nog een kaart. „Als ik het overleef kom ik terug via de Oude Zijds Achterburgwal”, schrijft de jongen die Bolero werd genoemd- Laske: „Wij dachten toen dat onze vriend hiermee een seintje wou geven dat hij de Sowjet-Unie bedoelde omdat op de Ouwezijds het Rusland uitkomt.”

lees ook:

en dit verhaal: