Eind 1944 woonde de 13-jarige Henk van IJsseldijk met zijn ouders, broer en zusters in een binnenvaartschip van 84 ton. Dat schip lag in een vaart naast de boerderij van de familie Smid aan de Kolhornerweg. Daar maakte Henk onder andere de onderwaterzetting mee en wat dat met zich meebracht. Aan het eind van zijn leven kreeg van IJsseldijk sterke behoefte zijn herinneringen aan de oorlogstijd op papier te zetten en te delen, niet alleen met zijn kinderen maar ook met de bewoners van de Wieringermeer en dan met name met de familie Riepma van de Kolhornerweg te Middenmeer. Via familie Riepma werd contact gelegd met het Genootschap en op 13 oktober 2012 vond een gesprek plaats waarvan we hier verslag doen.
Na de oorlog bleef Henk van IJsseldijk varen, eerst nog bij zijn ouders, later bij anderen. Tussendoor ging hij ook nog in dienst. Vanaf zijn 24-ste tot zijn pensioen was hij conciërge aan de Pedagogische Academie in Den Helder. Toen hij in 1955 trouwde met een Helderse kwam het er niet meer van terug te keren naar zijn ‘onderduikadres’. Zijn vrouw had de bombardementen op Den Helder meegemaakt en wilde niet meer over de verschrikkingen van de oorlog praten. Toen zij overleed zei een van zijn dochters: ‘Pa, nu zou ik wel eens willen weten wat u in de oorlog heeft meegemaakt’. Samen met zijn dochters begon Henk van IJsseldijk toen een zoektocht naar het verleden.

Hoe de zoektocht begon in Middenmeer en aan de Kolhornerweg

De zoektocht bracht Henk IJsseldijk en dochters eerst naar Middenmeer want daar hadden ze in 1944 voor het eerst aangelegd. Vrijwel het enige dat nog herkenbaar was, was de NH-kerk, waar ze toentertijd kerkten. Hotel Smit was ook erg veranderd en Henk kwam toen pas tot de ontdekking hoeveel er verdwenen moet zijn bij de onderwaterzetting. Ze zijn nog in de kerk geweest en daar was bijna niets veranderd, nog precies als in 1944. Dat komt omdat de voormalige NH-kerk van Middenmeer op de Monumentenlijst staat en die bepaalt dat er niets mag veranderen aan het interieur.

Aan de Kolhornerweg bleek geen Smid meer te wonen. Op goed geluk heeft Henk bij iemand aangebeld die aan diezelfde weg woonde, echter die bleek daar nog maar net te wonen. Deze persoon had wel een telefoonnummer van iemand die daar al langer woonde en via hem kreeg hij de huidige bewoners te pakken, de familie Riepma. Klaas Riepma is een kleinzoon van Hendrik Smid, want zijn vader Roel Riepma trouwde met dochter Gré Smid. Voordat Hendrik Smid in de Wieringermeer kwam is hij in Canada geweest. Hij werkte daar op een boerderij in Saskatchewan. Toen de Wieringermeer in beeld kwam solliciteerde hij met succes en betrok najaar 1935 het bedrijf C18 aan de Kolhornerweg. Hendrik Smid is later nog wethouder van de gemeente Wieringermeer geweest, dit was na de oorlog.

De onderwaterzetting meegemaakt op het schip

Terug naar 1944. Henk zijn vader vond het niet meer verantwoord te blijven varen. De Engelsen hadden snelle jagers en op het water kun je slecht uitwijken; een schip was zo een gemakkelijke prooi. Dus besloten ze te stoppen met varen. Een scheepsbevrachter uit Middenmeer, waarschijnlijk Kaan, wist misschien wel een adres. De volgende dag zei Kaan dat ze maar contact moesten opnemen met Hendrik Smid aan de Kolhornerweg. Daar konden ze wel komen met de afspraak dat als er wat met de Wieringermeer zou gebeuren, het schip alle huisraad aan boord zou nemen; dat was in augustus 1944.

Zo kwamen ze daar met het schip in de tocht naast de boerderij van Smid te liggen; ze waren met z’n zevenen: vader, moeder en 5 kinderen. Henk is de middelste; twee oudere zussen, (in 2012 84 en 82 jaar) en een zus en broer onder hem. Ze werkten mee op de boerderij, in de stal en op het land; bieten steken bijvoorbeeld, toen nog met het handje. Het schip dat in de tochtsloot lag was helemaal bedekt met takken, dat heeft heel wat bomen gekost. Vanaf de weg kon je hem niet meer zien. De bomen waren voor de kachel en de takken om het schip te camoufleren. In de herfst waren nog meer takken nodig omdat de bladeren afvielen. Alleen de rook uit de kachel zou hen hebben kunnen verraden.

Bij de onderwaterzetting op woensdag 17 april werd een deel van het huisraad in het schip geladen. De rest ging naar een kennis in Kolhorn, samen met moeder Smid en de drie kinderen. Vader Smid wilde tot het laatst op de boerderij blijven. Toen het water hoger kwam sliep hij op zolder. Op zondagmorgen gebruikte hij de scheepshoorn om de familie Van IJsseldijk te roepen en stond voor het raam te zwaaien: Kom me alsjeblieft halen, want ik heb nog nooit zo’n angstige nacht gehad. Die nacht had het water vlak onder hem tegen het plafond geklotst en hij had geen oog dicht gedaan. Vader Smid werd met de roeiboot via het raam uit huis gehaald en naar Kolhorn gebracht.

Ze hebben toen vanuit het schip kunnen zien hoe een voor een de muren van de schuur en het huis in elkaar zakten. Uiteindelijk stonden alleen nog de fundamenten en de spanten van de schuur overeind. Schip, familie IJssendijk en Hendrik Smid zijn daar gebleven tot de bevrijding, direct na 5 mei zijn de restanten van het huisraad naar Kolhorn gebracht. Maar bij de sluis bij de Groetweg hebben ze die gelost want verder kon je toen niet komen. Een paar dagen later is de familie met hun schip via het Gat in de Dijk de Wieringermeer uitgevaren, naar Medemblik. De eerste vracht was toen een lading bieten naar Amsterdam. Daarna zijn de ouders van Henk nog wel enkele keren terug geweest in de polder, maar alleen om te laden.

 

[hier komt foto van Het schip van de familie Van IJsseldijk]

Onderduikers en andere bewoners

Eigenlijk zaten ze natuurlijk min of meer ondergedoken bij Smid. Behalve zij waren er nog drie onderduikers, die sliepen op de zolder in de schuur. Een kwam uit Groningen, Willem van de Kloet, uit Grootegast; dan was er een Jannes Hameling en een Piet Zegers, die kwam uit Zeeuws-Vlaanderen, uit Zaamslag. In oktober/november 1944 kwamen er nog evacués uit Den Helder bij, de familie Gersen, een van hun kinderen werd nog op de boerderij geboren.

Heel toevallig kwam Henk erachter dat Smid in het verzet zat. Henk hielp een van de onderduikers met de koeien en was bezig met het opschudden van het stro. Hij stak zijn riek in de voorraad stro en stuitte op iets hards. Er kwamen zakken met vuurwapens en munitie tevoorschijn, waarschijnlijk van een nachtelijke dropping. Hij hoort het Willem van de Kloet nog zeggen: ‘Potverdikkie Henk, dat is ook wat, daar kunnen we niet over praten, hoor!’ Het maakte diepe indruk op hem, want hij wist dat je voor zoiets de doodstraf kon krijgen. Na een paar slapeloze nachten vertelde hij het zijn vader en de wetenschap dat hij niet de enige was die het wist van die verstopte wapens luchtte op.

In de dagen tussen 19 april en 5 mei roeiden ze elke dag naar Kolhorn om eten te halen; de boodschappen stonden dan al klaar voor hen: brood, melk, noem maar op. Voor alle zekerheid namen ze voor meerdere dagen mee, want je wist nooit wat voor weer het zou worden. De koeien stonden toen in de Groetpolder, daar had Smid wat land, of hij huurde dat.

Nog enkele herinneringen

Henk van IJsseldijk somt nog enkele losse herinneringen op. Dat hij het zo jammer vindt dat er geen koeien meer waren toen hij op de boerderij opnieuw bezocht. En wat erger is, ook de koeienstal is weg; gelukkig kan hij nog precies aanwijzen waar alles stond. Buiten stond een grote klamp stro, die om een auto was heen gebouwd en achter op het erf was een groot gat gegraven en daar ging een truck met oplegger in; met stro afgedekt en daar weer grond op, net een bietenbult. Die is met de onderwaterzetting blijven zitten. Ook de paardenstal is er niet meer en de graanzolder, waar de onderduikers sliepen. De familie Smid kookte op brongas. Dat kostte Smid nog eens wat haar, terwijl hij al niet veel had: door een ongelukje en een steekvlam was het toen: boem!

Henk kan zich nog herinneren dat het enige dat bloeide in voorjaar 1945 op het land het koolzaad was en langzaam maar zeker zag je dat onder water verdwijnen. Er waren in die tijd ook veel fazanten en patrijzen, die zich in de dagen van onderwaterzetting verscholen in het koolzaad. Ze waren zo vermoeid, want zulke goeie vliegers zijn het niet, dat ze gemakkelijk te vangen waren; op een gegeven moment hadden ze wel 10, 20 fazanten in het ruim hangen, aan vlees ontbrak het hun niet.

Naschrift

Henk van IJsseldijk overleed op 21 maart 2013. Zijn laatste weken waren zwaar maar er wordt ook in dankbaarheid teruggekeken. Bij elk contact met de familie Riepma sinds zijn zoektocht kwam hij terug op het artikel dat voor het Genootschap was geschreven; het heeft zeker bijgedragen aan het verwerken van zijn verleden.

Periode: 1944-1945
Verteller: Henk van IJsseldijk
Vastgelegd door Pier Montsma